Suivez l'info

Belastingverhogingen en het vermoeden van onschuld : wanneer strafrechtelijke beginselen de erfopvolgingslogica overwinnen

Edouard Berdal (Tax & Legal Director), 29 mei 2026

Sommige arresten van het Hof van Cassatie transformeren het Belgische fiscale landschap en doordringen de praktijk in brede zin. Andere viseren situaties die zo specifiek zijn dat ze wellicht anekdotisch zullen blijven, maar daarom niet minder interessant, zoals het arrest dat we vandaag analyseren.

 

De feiten

Een belastingplichtige dient PB-aangiften in voor de aanslagjaren 2011-2014, vergezeld van valse stukken. De administratie past bijgevolg belastingverhogingen toe aan het maximumtarief van 200 %. De belastingplichtige overlijdt in december 2020 terwijl de betwisting nog hangende is, en het is zijn dochter, erfgename die de nalatenschap heeft aanvaard, die de procedure overneemt.

Zij vraagt de vernietiging van de belastingverhogingen en beroept zich daarbij op het vermoeden van onschuld, aangezien zij zelf geen valse stukken heeft gebruikt. Het hof van beroep van Luik had dit verzoek verworpen; het Hof van Cassatie vernietigt.

 

De structurele spanning — burgerlijk recht vs strafrecht

In het erfrecht (burgerlijk recht) neemt de erfgenaam het actief en het passief van de overledene over. Fiscale schulden worden bijgevolg zonder moeilijkheden overgedragen. De vraag is anders wanneer de schuld een repressieve component bevat.

De belastingverhogingen van artikel 444 WIB 92 vormen echter een autonome strafsanctie, die de waarborgen van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens — dat het recht op een eerlijk proces garandeert — naar het fiscale contentieux trekt, en aldus het vermoeden van onschuld waarborgt.

Uit het beginsel van de persoonlijkheid van de straffen vloeit een fundamentele regel voort die het Hof uitdrukkelijk in herinnering brengt: "de strafrechtelijke verantwoordelijkheid overleeft de dader van de onrechtmatige handeling niet." Deze regel is van toepassing op administratieve sancties met een repressief karakter.

Het Hof articuleert zijn redenering in drie stappen:

  • De verhogingen van 200 % hebben een repressief karakter,
  • Het vermoeden van onschuld is van toepassing op repressieve administratieve sancties,
  • De eiseres heeft persoonlijk geen onjuiste aangifte ingediend noch gebruik gemaakt van valse stukken.
  • Conclusie: het handhaven van de verhogingen ten laste van de erfgename schendt artikel 6, §2, EVRM.

 

Grenzen en draagwijdte van het arrest

De erfgenaam die geen enkele inbreuk heeft gepleegd, kan de repressieve component van een nog betwiste aanslag niet opgelegd krijgen. Als de sanctie daarentegen definitief is vóór het overlijden, maakt zij deel uit van het erfpassief en blijft zij verschuldigd. Dit onderscheid is fundamenteel.

Dit arrest roept enkele reflexen op in de erfrechtelijke praktijk:

  • Audit bij de opening van de nalatenschap: nagaan of betwiste aanslagen belastingverhogingen of repressieve boetes bevatten die nog kunnen worden aangevochten. Deze kunnen worden vernietigd indien de erfgenaam persoonlijk onschuldig is.
  • Gerichte betwisting: het verzoek tot vernietiging kan uitsluitend betrekking hebben op de belastingverhogingen, los van de betwisting van de hoofdbelasting.
  • Voorrecht van boedelbeschrijving: bij onzekerheid over de stand van het fiscale contentieux beschermt de aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving de erfgenaam tegen latere ontdekkingen.
  • Ruimere context: dit arrest past in een jurisprudentiële lijn die de strafrechtelijke waarborgen geleidelijk aan oplegt aan repressieve fiscale sancties. De uitdaging bestaat erin om in elk concreet geval te kunnen bepalen vanaf welk verhogingspercentage deze sancties een repressief karakter krijgen.