Suivez l'info

Huwelijksvermogensstelsel en vennootschapsaandelen : Wanneer “JA” ook uw vermogen verbindt

Alice van Oldeneel et Lara Balot, 5 aug 2026

U wil uw beroepsactiviteit uitoefenen via een vennootschap en bent tegelijk volop bezig met de voorbereiding van uw huwelijk: welke chronologie volgt u het best? Als anticiperen het sleutelwoord is in het erfrecht, dan geldt dat evenzeer in het huwelijksvermogensrecht. Afhankelijk van uw vermogen en uw respectieve beroepsactiviteiten verdient het al dan niet opstellen van een huwelijkscontract minstens evenveel aandacht… als de keuze van de zaal en de traiteur!

1. Huwelijkscontract: noodzakelijk of overbodig ?

Gaat u niet langs bij een notaris om een huwelijkscontract op te stellen, dan valt u onder het wettelijk stelsel van de gemeenschap, dat uit drie onderscheiden vermogens bestaat:

 

Tot het eigen vermogen van elke echtgenoot behoren onder meer: de kledij en voorwerpen voor persoonlijk gebruik, de goederen en schuldvorderingen die aan elk van de echtgenoten toebehoorden vóór het huwelijk of die tijdens het huwelijk werden verkregen door erfenis of schenking, enz.

Tot het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten behoren onder meer: de inkomsten uit de beroepsactiviteit van elk van de echtgenoten (zelfs indien die op een eigen bankrekening van elke echtgenoot worden gestort); de vruchten, inkomsten en interesten van hun eigen goederen, alsook de daaraan verbonden schulden; alle goederen waarvan niet bewezen is dat ze eigen zijn aan een van de echtgenoten. Bewaar dus zorgvuldig het bewijs van de herkomst van de gelden (betaald met het gemeenschappelijk of het eigen vermogen?), want bij twijfel wordt wat verworven is, vermoed gemeenschappelijk te zijn.

Stelt u daarentegen bij de notaris een huwelijkscontract op en kiest u voor het stelsel van zuivere scheiding van goederen, dan behoudt elke echtgenoot zijn eigen vermogen, zonder gemeenschappelijk vermogen:
 

Elke echtgenoot behoudt steeds het exclusieve bestuur over zijn eigen vermogen, ongeacht of er een huwelijkscontract is.

Het huwelijksvermogensrecht biedt nog andere mogelijkheden, zoals de scheiding van goederen met een beding van aanwinsten, maar omwille van de beknoptheid behandelen wij enkel de twee belangrijkste voormelde stelsels, temeer omdat echtgenoten die hun huwelijkscontract op maat opstellen, ervoor gezorgd zullen hebben alles wat hierna volgt bij overeenkomst te voorzien en te regelen.

Deze voorafgaande vraag — al dan niet een huwelijkscontract opstellen — is bepalend voor wat volgt.

 

2. Herkomst van de gelden gebruikt voor de aankoop van vennootschapsaandelen

De houder van de aandelen van een vennootschap, de aandeelhouder, staat met naam vermeld in het aandelenregister van de vennootschap. Hij kan het stemrecht uitoefenen op de algemene vergaderingen van de vennootschap, beslissen over het bedrag van de uit te keren winst en in voorkomend geval een dividend ontvangen.

Heeft de echtgenoot voor de verwerving van die aandelen eigen gelden uit zijn eigen vermogen gebruikt, of ging het om geld uit het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten?

Uw vennootschap werd na uw huwelijk opgericht en u wil een inbreng in geld doen in uw vennootschap. Put u daarvoor uit uw eigen vermogen of uit het gemeenschappelijk vermogen met uw echtgenoot? Dezelfde vraag rijst bij een inbreng in natura: waar komt het onroerend goed dat u inbrengt vandaan en aan wie behoort het toe? Gaat het om de gezinswoning (die een specifieke bescherming geniet)? Is het in onverdeeldheid met andere personen? Al die vragen zijn allesbehalve onschuldig.

Er zal ook moeten worden nagegaan of bepaalde handelingen (inbreng, overdracht, enz.) de toestemming van de echtgenoot vereisen wanneer gemeenschappelijke goederen in het spel zijn.

 

       A. Aandelen van een vennootschap verwerven met het eigen vermogen voor meer dan de helft

Enkele scenario’s :

  • Vóór uw huwelijk koopt u de aandelen van een reeds bestaande vennootschap of richt u er zelf een op, alleen of met anderen: die aandelen behoren u exclusief toe;
  • Na een huwelijk onder het stelsel van zuivere scheiding van goederen koopt u de aandelen van een vennootschap met uw eigen gelden: die aandelen behoren u exclusief toe;
  • U ontvangt de aandelen van een vennootschap via schenking of erfenis: die aandelen behoren u exclusief toe.

Aandelen die (voor meer dan de helft) met eigen gelden van een echtgenoot zijn verworven, behoren immers volledig en uitsluitend aan die echtgenoot toe. Hij heeft er het exclusieve beheer over en beschikt over alle bevoegdheden van beheer, genot en beschikking. Bij echtscheiding stelt zich voor hem geen bijzonder probleem.

       B. Tijdens het huwelijk aandelen verwerven met het gemeenschappelijk vermogen voor meer dan de helft

U hebt geen huwelijkscontract gesloten en u gebruikt — uitsluitend of minstens voor de helft — uw beroepsinkomsten of enig ander bestanddeel van het actief van het gemeenschappelijk vermogen om aandelen te verwerven of een vennootschap op te richten. Opnieuw moeten verschillende scenario’s worden onderscheiden :

1. Eerste scenario

De aandelen van een vennootschap werden tijdens het huwelijk verworven met gemeenschappelijke gelden (uitsluitend met gemeenschappelijke gelden, of minstens voor de helft), en :

  • slechts één van beide echtgenoten is aandeelhouder van de vennootschap waarin alleen die echtgenoot zijn beroepsactiviteit uitoefent als zaakvoerder of bestuurder; OFWEL
  • slechts één van beide echtgenoten is aandeel
    houder  an die vennootschap en de vennootschap is onderworpen aan wettelijke of statutaire regels of aan aandeelhoudersovereenkomsten, die de overdracht van de aandelen beperken (bv.: alleen artsen kunnen aandeelhouder zijn van de artsenvennootschap). Die beperkingen kunnen voortvloeien uit statutaire clausules of uit overeenkomsten tussen aandeelhouders, die een aanzienlijke impact kunnen hebben bij echtscheiding of overdracht. Hierbij is niet van belang wie bestuurder van de vennootschap is, noch of het om een professionele vennootschap gaat.

Met dien verstande dat het in dit geval niet uitmaakt wie de bestuurder van de vennootschap is en of het om een beroepsvennootschap gaat.

In beide hypothesen behoren die aandelen tot het gemeenschappelijk vermogen. Het recht splitst de aandelen van de vennootschap echter kunstmatig op in enerzijds “de titre” (het eigendomsrecht op de aandelen, de lidmaatschapsrechten), die eigen is aan de echtgenoot-aandeelhouder, en anderzijds “de waarde” (de vermogenswaarde van de aandelen), die gemeenschappelijk is aan beide echtgenoten.

  • LDE TITEL — EIGEN VERMOGEN VAN DE ECHTGENOOT-AANDEELHOUDER : de aandelen staan op zijn naam ingeschreven en hij heeft er het exclusieve bestuur over; hij oefent alleen de prerogatieven uit die verbonden zijn aan de hoedanigheid van aandeelhouder, hij is eigenaar. De andere echtgenoot mag zich niet mengen: de echtgenoot-aandeelhouder geniet autonomie, ook al is de waarde van de aandelen gemeenschappelijk (zie hierna). Zo kan de echtgenoot alleen beslissen zijn aandelen te verkopen, maar in dat geval komt de verkoopprijs toe aan het gemeenschappelijk vermogen. De echtgenoot kan vervolgens beslissen het bij de verkoop van het aandeel verkregen bedrag aan te wenden voor zijn beroepsactiviteit. Het gemeenschappelijk vermogen wordt eigenaar van de waarde die in ruil voor de verkoop van het aandeel werd verkregen (er is dus geen “vergoeding” verschuldigd). Het onderscheid tussen de titel en de waarde beschermt de vennootschap tegen inmenging door de andere echtgenoot. (Art. 2.3.19, 5° van het Burgerlijk Wetboek).
     
  • DE WAARDE — GEMEENSCHAPPELIJK VERMOGEN VAN BEIDE ECHTGENOTEN : De vermogenswaarde van het verworven aandeel behoort tot het gemeenschappelijk vermogen; de aandelen staan op het actief van het gemeenschappelijk vermogen en worden verdeeld op de dag van de vereffening van het huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten. Bij verkoop van een aandeel door de aandeelhouder-eigenaar komt de prijs van rechtswege toe aan de gemeenschap. Aangezien het gemeenschappelijk vermogen heeft bijgedragen tot de verwerving van de aandelen, is het goed te begrijpen dat zijn rechten gevrijwaard moeten worden. (Art. 2.3.22, §1, 5° van het Burgerlijk Wetboek).

Het is op het ogenblik van de verwerving van de aandelen dat dit onderscheid correct moet worden gemaakt en dat moet worden nagegaan of de voorwaarden van het Burgerlijk Wetboek vervuld zijn. Wat er na de verwerving van de aandelen gebeurt, heeft bijgevolg geen invloed meer (bv.: de echtgenoot wordt ontslagen als bestuurder).

De ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten geeft aanleiding tot vereffening en verdeling. De waarde van de aandelen wordt vastgesteld op de dag van de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel, en niet op de dag van de verdeling. Concreet: aangezien de “titel” eigen is aan de echtgenoot, behoudt die wel degelijk de eigendom van de aandelen na het einde van het stelsel; hij vertrekt na zijn echtscheiding met zijn aandelen. Men kan zich de frustratie voorstellen van de echtgenoot-aandeelhouder en -bestuurder die zijn professionele vennootschap met vaste hand heeft geleid en eigenhandig de waarde van de aandelen heeft doen stijgen… een waarde die bij de echtscheiding aan beide echtgenoten ten goede zal komen, gelet op het gemeenschappelijk karakter ervan, terwijl de andere echtgenoot daar part noch deel aan had.

Deze regeling (en de bijbehorende nieuwe wettelijke grondslagen) is van toepassing op aandelen die sinds 1 september 2018 met gemeenschappelijke gelden zijn onderschreven. Alle aandelen die vóór die datum met gemeenschappelijke gelden werden onderschreven, blijven onderworpen aan artikel 1401.5 van het oud Burgerlijk Wetboek — een slecht geformuleerd artikel — wat tot talrijke controverses, rechterlijke beslissingen en rechtsleer heeft geleid. Omwille van de beknoptheid gaan wij hier niet in op die oude regeling.

OPGELET: dit alles geldt onder voorbehoud dat er geen huwelijksovereenkomst is die specifiek iets anders regelt. U kunt dit alles immers op maat modelleren in uw huwelijkscontract.

 

2. Tweede scenario

Buiten de in punt 1 bedoelde hypothesen zijn de aandelen volledig gemeenschappelijk, zonder onderscheid tussen de titel en de waarde.

Bv.: beide echtgenoten verwerven samen aandelen met gelden uit het gemeenschappelijk vermogen, beiden zijn aandeelhouder, hun beide namen staan in het register en geen van beiden is bestuurder of zaakvoerder van de vennootschap: de aandelen behoren volledig tot het gemeenschappelijk vermogen. Het onderscheid tussen de titel en de waarde is dan niet meer nodig, aangezien de aandelen geen persoonlijk karakter hebben ten aanzien van slechts één van de echtgenoten.

Bv.:  mevrouw richt met derden een vennootschap op (zij is aandeelhouder) met gelden uit het gemeenschappelijk vermogen, maar zij is bestuurder noch zaakvoerder, zij is werkneemster: de aandelen zijn gemeenschappelijk (zowel de titel als de finance) en mevrouw geniet niet van artikel 2.3.19, §1, 5°, aangezien de cumulatieve voorwaarden niet vervuld zijn.

Hoe worden gemeenschappelijke aandelen, die tot het gemeenschappelijk vermogen behoren, concreet bestuurd? Het Burgerlijk Wetboek voorziet in een concurrentieel bestuur tussen de echtgenoten, en niet in een gezamenlijk bestuur (onder “bestuur” wordt verstaan: “alle bevoegdheden van beheer, genot en beschikking”). Het gemeenschappelijk vermogen wordt aldus bestuurd door de ene of de andere echtgenoot, die de bestuursbevoegdheden alleen kan uitoefenen, met dien verstande dat elk van hen de bestuurshandelingen van zijn echtgenoot moet eerbiedigen (artikel 2.3.30 van het Burgerlijk Wetboek) en dat de echtgenoten het gemeenschappelijk vermogen besturen in het belang van het gezin (artikel 2.3.29 van het Burgerlijk Wetboek). Elke echtgenoot kan er concurrentieel alle bestuurshandelingen voor stellen. Er geldt evenwel een nuance wanneer de aandelen geacht worden verbonden te zijn aan het beroep van een echtgenoot (artikel 2.3.31 van het Burgerlijk Wetboek).

De waarde van de aandelen wordt bepaald op de dag die het dichtst bij de verdeling ligt. Vaak volgt dan een verdeling in natura bij helften (elk vertrekt met de helft van de gemeenschappelijke aandelen).

 

3. Derde scenario

Zijn beide echtgenoten aandeelhouder (beiden houden aandelen op naam aan en elk van hen is vermeld in het aandelenregister) en werd één van hen bovendien tot bestuurder van de vennootschap benoemd, dan geldt :

  • voor de echtgenoot die geen bestuurder is, zelfs indien hij zijn beroepsactiviteit binnen de vennootschap uitoefent: al zijn aandelen zijn gemeenschappelijk (er is geen onderscheid tussen de titel en de finance), want de voorwaarden van artikel 2.3.19, 5° van het Burgerlijk Wetboek zijn niet vervuld;
  • voor de echtgenoot-bestuurder: hij kan de rechten van de aandelen van het koppel uitoefenen, niet alleen voor zijn eigen aandelen — want zijn “titel” is eigen — maar ook voor die van zijn echtgenoot, aangezien het bestuur over de gemeenschappelijke aandelen concurrentieel is. De echtgenoot-bestuurder kan dus de rechten van alle aandelen van het koppel uitoefenen. De echtgenoten zijn bijgevolg in verschillende mate geïnvesteerd binnen dezelfde vennootschap.

 

4. 4.  Vierde scenario

De rechtsleer is verdeeld wanneer beide echtgenoten aandeelhouder ÉN bestuurder van de vennootschap zijn: moet het onderscheid tussen de "titre" en de "waarde " behouden blijven? Quid wanneer de clausule die de overdracht van de aandelen beperkt, gericht is op derden, maar niet op de echtgenoten van de aandeelhouders?

Samengevat: ofwel zijn de aandelen eigen, ofwel zijn de aandelen gemeenschappelijk, ofwel wordt het onderscheid gemaakt tussen de titel (die eigen is) en de finance (die gemeenschappelijk is).

 

       C. Eigen aandelen verwerven met deels gelden uit het eigen vermogen en deels uit het gemeenschappelijk vermogen (voor minder dan de helft), of omgekeerd: gemeenschappelijke aandelen verwerven met deels eigen gelden (voor minder dan de helft) en deels middelen uit het gemeenschappelijk vermogen

In dat geval is bij de vereffening van het huwelijksvermogensstelsel een vergoedingsregeling voorzien, met een overdracht van het ene vermogen naar het andere, aangezien beide vermogens hebben bijgedragen tot de verwerving van de aandelen.

Krachtens artikel 2.3.44, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek is « elke echtgenoot vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen.

Artikel 2.3.46 van het Burgerlijk Wetboek verduidelijkt het bedrag en het bewijs van de vergoedingen :

« De vergoeding mag niet kleiner zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen. Hebben de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen en gelden echter gediend tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed, dan zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat ogenblik in het vergoedingsplichtige vermogen bevindt, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien werd vervreemd; is een nieuw goed in de plaats gekomen van het vervreemde goed, dan wordt de vergoeding geraamd op basis van dat nieuwe goed. Het recht op vergoeding kan met alle middelen worden bewezen. De vergoedingen brengen van rechtswege interest op vanaf de dag van de ontbinding van het stelsel. »

 

3. En l’absence d’un contrat de mariage, l'époux exerce sa profession au sein d'une société dans laquelle il est également actionnaire (et les actions lui sont propres) : quel impact pour le patrimoine commun ? 

Oefen ik mijn activiteit uit als natuurlijke persoon, dan vallen mijn beroepsinkomsten rechtstreeks in het gemeenschappelijk vermogen. Wat als ik mijn activiteit in vennootschap uitoefen?

De regel luidt als volgt: « De echtgenoot die zijn beroep uitoefent binnen een vennootschap waarvan de aandelen hem eigen zijn, is aan het gemeenschappelijk vermogen een vergoeding verschuldigd voor de netto beroepsinkomsten die het gemeenschappelijk vermogen niet heeft ontvangen en redelijkerwijze had kunnen ontvangen indien het beroep niet binnen die vennootschap was uitgeoefend. » (Art. 2.3.44, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek)

De onderliggende bedoeling van dit artikel is begrijpelijk: de keuze om de beroepsactiviteit via een vennootschap uit te oefenen moet neutraal blijven en zonder impact voor het gemeenschappelijk vermogen. Stel dat de aandeelhouders beslissen geen dividend uit te keren, maar de winst van de vennootschap toe te wijzen aan investeringen binnen de vennootschap zelf ; de aandeelhouders zien de waarde van hun aandelen stijgen; de echtgenoot-aandeelhouder die deze aandelen in zijn eigen vermogen aanhoudt, is opgetogen — het gemeenschappelijk vermogen veel minder. Die verrichting gebeurt immers ten koste van het gemeenschappelijk vermogen, dat normaal door de beroepsinkomsten wordt gevoed, in dit geval niet wordt gevoed en dus verarmt. Daarom werd een vergoedingsregeling ingevoerd.

De berekening van de door dit artikel voorziene vergoeding is bijzonder. Het gaat er niet om de waarde van de aandelen te ramen. Er moet veeleer worden gekeken naar het bedrag van het dividend dat aan het gemeenschappelijk vermogen had kunnen toekomen, maar niet werd uitgekeerd. Ook het begrip “redelijkerwijze” kan ter discussie staan. Ruimer beschouwd laten de praktische problemen die deze vergoeding zal doen rijzen, zich gemakkelijk voorspellen.

Naast de inkomsten moet ook aandacht gaan naar de risico’s verbonden aan de beroepsactiviteit, met name bij het verstrekken van persoonlijke zekerheden of wanneer de aansprakelijkheid van de bedrijfsleider in het gedrang komt, wat een impact kan hebben op het vermogen van de echtgenoten.

4. Vereffening van de gemeenschap

Wat gebeurt er bij de vereffening en de verdeling van het huwelijksvermogensstelsel (wegens overlijden of echtscheiding)? Wanneer en hoe worden de aandelen gewaardeerd?

De inzet van die vraag speelt niet zozeer wanneer het koppel goed overeenkomt en alles vlot verloopt. De problemen duiken, zoals bekend, op wanneer het huwelijksvermogensstelsel vereffend moet worden en moet worden bepaald waarop het gemeenschappelijk vermogen, dat in twee wordt verdeeld, nog aanspraak kan maken. In de praktijk is de betrokkenheid van elk van de echtgenoten bij de ontwikkeling van de vennootschap zelden gelijk. Hoe groot zal de frustratie zijn van de echtgenoot die zijn carrière aan de onderneming heeft gewijd en haar waarde — en dus de waarde van de aandelen — heeft doen aanzwellen… aandelen die tot het gemeenschappelijk vermogen behoren en dus worden gedeeld met de andere echtgenoot, die daar niet of nauwelijks toe heeft bijgedragen. Daar komt nog een bijkomende moeilijkheid bij: de bepaling van de waarde van de aandelen. Die geeft vaak aanleiding tot discussies, of zelfs tot de aanstelling van een deskundige, aangezien de verschillende waarderingsmethoden tot aanzienlijk uiteenlopende resultaten kunnen leiden.

5. Besluit

Het sleutelwoord is exact hetzelfde als in het erfrecht: anticiperen en voorzien in een regeling op maat, in functie van de betrokkenheid en de inzet van elk van de echtgenoten (financieel of persoonlijk).

Naast de keuze van het huwelijksvermogensstelsel moet bijzondere aandacht gaan naar de herkomst van de gelden, de wijze waarop de aandelen worden aangehouden, eventuele statutaire clausules en de risico’s verbonden aan de beroepsactiviteit, met name wanneer er persoonlijke zekerheden zijn verstrekt. Een gecoördineerde reflectie tussen de notaris en uw fiscaal adviseur is in dat opzicht onontbeerlijk om de coherentie van het geheel te verzekeren.

Alle valkuilen van het hiervoor uiteengezette stelsel kunnen bij overeenkomst worden opgelost. In voorkomend geval kan ook tijdens het huwelijk een wijziging van het huwelijksvermogensstelsel worden overwogen om de vermogensbescherming aan te passen aan de evolutie van de beroepsactiviteit.