
Sinds juli 2025 is de regeling van de belastingverhoging bij een eerste overtreding gewijzigd. Artikel 444, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) bepaalt voortaan dat van de belastingverhoging wordt afgezien voor de eerste overtreding die te goeder trouw werd begaan.
Deze hervorming heeft de reflectie over het begrip «goede trouw» zelf opnieuw aangewakkerd. Goede trouw wordt vermoed bij een onvolledige of onjuiste aangifte, maar dat vermoeden vervalt wanneer de aangifte niet binnen de termijn werd ingediend en aanleiding geeft tot een aanslag van ambtswege. De contouren van dit begrip werden verduidelijkt in een administratieve circulaire. De hervorming deed bovendien de vraag rijzen naar de inwerkingtreding ervan, die het Grondwettelijk Hof in het voordeel van de belastingplichtige heeft beslecht.
Na de wijziging van artikel 444 heeft de administratie haar lezing van de begrippen goede en kwade trouw verduidelijkt in circulaire 2025/C/49, die richtlijnen ter zake bevat.
Goede trouw wordt er gedefinieerd als de innerlijke overtuiging van een persoon dat hij zich in een situatie bevindt die in overeenstemming is met de wet en dat hij handelt zonder afbreuk te doen aan de rechten van anderen. De circulaire benadrukt het feitelijke karakter ervan: het begrip hangt af van de concrete elementen van het dossier.
Kwade trouw wordt op haar beurt benaderd via een verwijzing naar artikel 1.9 van het Burgerlijk Wetboek: te kwader trouw is de persoon die de feiten of de handeling waarop zijn goede trouw betrekking heeft kent, of had moeten kennen gelet op de concrete omstandigheden. De circulaire maakt zorgvuldig het onderscheid tussen dit begrip en het oogmerk om belasting te ontduiken. Een belastingplichtige kan te kwader trouw zijn zonder een fraudeur te zijn, en het voorbeeld dat ze geeft spreekt boekdelen: wie bewust nalaat zijn aangifte in te dienen met als enig doel het werk van de administratie te vertragen, terwijl die aangifte in zijn voordeel zou uitvallen, is te kwader trouw maar ontduikt geen enkele belasting.
Wanneer de belastingplichtige een onjuiste of onvolledige aangifte heeft ingediend, wordt goede trouw vermoed. De administratie kan dit vermoeden echter weerleggen door de kwade trouw van de belastingplichtige aan te tonen, in welk geval een belastingverhoging van 10 % van toepassing is.
Een vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 16 januari 2026 brengt een eerste verduidelijking, gunstig voor de belastingplichtige, over de concrete elementen waarop de administratie de kwade trouw kan baseren en zo de bewijslast kan omkeren. In die zaak betwistte de vennootschap verschillende rechtzettingen in de vennootschapsbelasting met betrekking tot kosten die zij had afgetrokken en die de administratie op grond van artikel 49 WIB 92 had verworpen. Het oogmerk om belasting te ontduiken was niet aan de orde. Om de kwade trouw aan te tonen, voerde de administratie twee elementen aan: de omvang van de rechtgezette bedragen en het feit dat meerdere wettelijke bepalingen waren geschonden. De rechtbank oordeelde dat die elementen op zich niet volstonden om kwade trouw aan te tonen. Aangezien het vermoeden niet was weerlegd, werd de belastingverhoging van 10 % ontheven.
Wij hopen dat dit standpunt zal uitgroeien tot vaste rechtspraak, die de weerlegging van het vermoeden beperkt tot de situaties waarin de kwade trouw concreet wordt aangetoond.
De situatie keert om wanneer de belastingplichtige het voorwerp uitmaakt van een aanslag van ambtswege, met name bij gebrek aan aangifte of bij laattijdige aangifte. Het vermoeden wordt dan door de wet uitgesloten, een uitsluiting die het Grondwettelijk Hof heeft bekrachtigd. Het is dan aan de belastingplichtige om zijn goede trouw aan te tonen, zo niet wordt een belastingverhoging van 10 % toegepast.
De circulaire is op dit punt streng. Ze stelt dat, wanneer de aanslag van ambtswege werd voorafgegaan door een zekere briefwisseling, zoals herinneringen, of wanneer een opzettelijke belemmering van het onderzoek kon worden vastgesteld, het voor de belastingplichtige vrij moeilijk zal zijn om zijn goede trouw te bewijzen. Een kennisgeving van aanslag van ambtswege wordt echter bijna altijd voorafgegaan door dergelijke herinneringen. De circulaire neemt zo een strenge houding aan tegenover loutere nalatigheid of vergetelheid: de belastingplichtige die niet snel genoeg reageert op herinneringen, loopt het risico dat hem het voordeel van de goede trouw wordt geweigerd. Wat op het spel staat is niet onbelangrijk, want de effectieve toepassing van de belastingver-
hoging leidt tot de verwerping van de aftrek van vorige verliezen.
Ondanks de strengheid die de circulaire inzake aanslagen van ambtswege aan de dag legt, verdedigen wij dat goede trouw altijd kan worden aangetoond aan de hand van objectieve elementen die eigen zijn aan het dossier. Nuttig kunnen worden ingeroepen: het geïsoleerde karakter van de tekortkoming, ondersteund door een historiek van tijdig ingediende aangiften; de omstandigheden die tot de vertraging of het niet-indienen hebben geleid, zoals een ontbinding van de vennootschap, een wijziging van lasthebber of het niet ontvangen van documenten; of nog de uiteindelijk doorgevoerde regularisatie, die getuigt van de wil om zich naar de wet te schikken. Het valt af te wachten hoe de hoven en rechtbanken het begrip goede trouw in deze hypothese zullen beoordelen.
De wetgever had de nieuwe regeling voorbehouden voor de aanslagen die vanaf 29 juli 2025 werden ingekohierd (datum van het aanslagbiljet). Het is in dat stadium, en niet op het moment van de aangifte of de controle, dat de belastingverhoging effectief wordt toegepast en dat bijgevolg wordt bepaald of de oude dan wel de nieuwe regeling van toepassing is. Door de datum van inkohiering tot kantelpunt te maken, hield de wet de vóór 29 juli 2025 ingekohierde aanslagen dus onder de oude regeling.
Die beperking werd al snel betwist. Verschillende feitenrechters hebben ze buiten toepassing gelaten nog voordat het Grondwettelijk Hof zich uitsprak. Het Hof van Beroep te Gent, in twee arresten van 18 november 2025 en 3 februari 2026, alsook de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven, in een vonnis van 16 januari 2026, hebben de toepassing van de nieuwe regeling aanvaard voor aanslagen die vóór 29 juli 2025 waren ingekohierd. Die beslissingen hebben de belastingplichtige in het gelijk gesteld op grond van het beginsel van de retroactiviteit van de mildere strafwet.
Met zijn arrest van 18 juni 2026 heeft het Grondwettelijk Hof dat standpunt bevestigd. Het herinnert eraan dat de belastingverhoging van artikel 444 een overwegend repressief karakter heeft en een sanctie van strafrechtelijke aard vormt, een kwalificatie die het al had weer-
houden in zijn arrest nr. 12/2025. Die strafrechtelijke aard brengt de toepassing mee van artikel 7, § 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM). Hoewel die bepaling uitdrukkelijk de niet-retroactiviteit van strengere strafwetten verankert, heeft het Europees Hof er ook het omgekeerde beginsel van de retroactiviteit van de mildere strafwet in erkend. Het Grondwettelijk Hof bevestigt dat de nieuwe regeling inzake belastingverhoging wel degelijk een mildere strafwet is, aangezien ze wat slechts een mogelijkheid tot afzien was, omzet in een verplichting, een vermoeden van goede trouw invoert en zo de bewijslast bij de administratie legt. Het was bijgevolg niet wettelijk ver-
antwoord de toepassing ervan te beperken tot de aanslagen die vanaf 29 juli 2025 werden ingekohierd. Het Hof vernietigt die temporaire beperking dan ook.
De vernietiging heeft terugwerkende kracht en geldt erga omnes. Het vermoeden van goede trouw kan zo worden ingeroepen voor elke aanslag die nog niet definitief is en die nog aan het oordeel van een administratieve of gerechtelijke instantie kan worden voorgelegd. De datum van inkohiering speelt dus geen rol meer; enkel het niet-definitieve karakter van het dossier telt.
Op grond van die repressieve kwalificatie van de belastingverhoging, en los van het begrip goede trouw dat de fiscale administratie vereist, blijft de rechter altijd de garant van de beoordeling van de evenredigheid van de opgelegde sanctie in het licht van de ernst van de overtreding, van eventuele eerdere sancties, van vergelijkbare beslissingen en van de impact die de sanctie op de belastingplichtige zal hebben. Die vraag naar de impact is hier cruciaal, want de toepassing van belastingverhogingen van ten minste 10 % heeft tot gevolg dat fiscale verliezen en andere normaal aftrekbare posten niet langer op het belastbare resultaat kunnen worden aangerekend. De reële financiële impact voor een belastingplichtige die zijn aangifte laattijdig heeft ingediend, kan dus ruimschoots hoger liggen dan het bedrag van de belastingverhoging als zodanig, wat deze sanctie een onevenredig karakter geeft dat de rechter moet toetsen.
De hervorming van artikel 444 versterkt aanzienlijk de positie van de belastingplichtige te goeder trouw, en het Grondwettelijk Hof heeft de draagwijdte ervan uitgebreid tot alle nog hangende geschillen, ongeacht de datum van inkohiering van de aanslag. Het geschil verschuift voortaan naar de beoordeling van de goede trouw. Bij een onjuiste of onvolledige aangifte rust de bewijslast op de administratie, en de eerste beslissingen blijken veel-
leisend wat betreft de elementen die de kwade trouw kunnen aantonen. Bij een aanslag van ambtswege keert die last om, maar het bewijs van goede trouw blijft
mogelijk, op voorwaarde dat het steunt op objectieve en concrete elementen. Hoewel de administratie de goede trouw vrij strikt lijkt te beoordelen, valt af te wachten welk standpunt de hoven en rechtbanken op dit punt zullen innemen.
Wij raden aan om, zodra u een kennisgeving ontvangt, alle feitelijke elementen te verzamelen die de goede trouw kunnen aantonen, en onverwijld te reageren.