
Het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 3 februari 2026 biedt de gelegenheid om terug te komen op een klassieke techniek van vastgoedherstructurering, waarbij een onroerend goed via een partiële splitsing wordt afgezonderd in een verkrijgende vennootschap, waarna de aandelen van die vastgoedvennootschap worden overgedragen in het kader van een “share deal”.
Het arrest bevestigt een duidelijke jurisprudentiële lijn: het geheel van de betrokken verrichtingen vormt noch een kunstmatige constructie in de zin van artikel 203, §1, eerste lid, 7° WIB 92, noch fiscaal misbruik in de zin van artikel 344, §1 WIB 92, zodra de verrichting kadert in een verantwoorde herstructurering die beantwoordt aan een economische realiteit.
De verkopende aandeelhouder was een Belgische holdingvennootschap, onderworpen aan de vennootschapsbelasting, die de voorwaarden vervulde om aanspraak te maken op de vrijstellingsregeling voor meerwaarden op aandelen voorzien in artikel 192 WIB 92.
De overgedragen aandelen waren die van een dochtervennootschap die, na een partiële splitsing, enkel nog vastgoedactiva aanhield. Die aandelen werden overgedragen aan een derde investeerder.
De administratie wilde de vrijstelling van de meerwaarde op aandelen weigeren, met als argument dat :
Het Hof herinnert eraan dat de toepassing van de antimisbruikbepaling van artikel 203, §1, eerste lid, 7° WIB 92 onderworpen is aan twee cumulatieve voorwaarden: het bestaan van een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen, én het kunstmatig karakter ervan.
Een constructie wordt als kunstmatig beschouwd wanneer zij niet is opgezet op grond van “geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen”. Het Hof benadrukt, met verwijzing naar de voorbereidende werken, dat die beoordeling erin bestaat na te gaan of de opgezette juridische structuur beantwoordt aan een reële economische logica, los van fiscale overwegingen. Het preciseert eveneens dat de geldige redenen zich niet beperken tot strikt commerciële motieven, maar ruimer ook economische redenen omvatten.
Het Hof bevestigt hier een evidentie die de eerdere rechtspraak al had verankerd: het gebruik van een aandelenoverdracht (“share deal”) in de vastgoedsector behoort tot de gangbare marktpraktijk.
Gelet op de concrete gegevens van het dossier kaderden zowel de partiële splitsing als de aandelenoverdracht in een ruimere herstructurering die erop gericht was middelen vrij te maken om ze te herinvesteren, en beantwoordden zij aan commerciële motieven die de verrichtingen rechtvaardigden. De keuze voor de “share deal” boven de “asset deal”, vrij gemaakt door de belastingplichtige, kan in de omstandigheden van de zaak niet als een “kunstmatige omweg” worden gekwalificeerd.
De fiscale administratie riep subsidiair fiscaal misbruik in de zin van artikel 344, §1 WIB 92 in, met het argument dat de partiële splitsing gevolgd door de aandelenoverdracht een kunstmatige constructie vormde om te ontsnappen aan de belasting van de meerwaarden op vastgoed, ten voordele van de vrijstelling van de meerwaarden op aandelen voorzien in artikel 192 WIB.
De rechtbank had die stelling op twee gronden verworpen. Ten eerste laat de antimisbruikmaatregel niet toe de feiten te wijzigen; aangezien de holdingvennootschap nooit eigenaar van de gebouwen is geweest, kon zij niet worden belast op een vastgoedmeerwaarde die zij nooit had kunnen realiseren. Ten tweede heeft de administratie niet aangetoond dat de gestelde handelingen in strijd waren met de doelstellingen van artikel 192 WIB, noch dat hun wezenlijke doel erin bestond de belasting te ontwijken, aangezien reële economische redenen de verrichtingen rechtvaardigden.
Het Hof oordeelt dat, rekening houdend met wat reeds in eerste aanleg werd beslist, in casu voldoende bewezen is dat de keuze om een partiële splitsing door te voeren gevolgd door een verkoop van de aandelen, was ingegeven door andere redenen dan het ontwijken van de inkomstenbelasting.
Het arrest vormt een nuttige jurisprudentiële bijdrage aan de afbakening van het toepassingsgebied van de antimisbruikbepalingen. Zodra de vastgoedvennootschap beantwoordt aan een substantiële realiteit en niet-fiscale, commerciële en/of economische motieven de gemaakte structuurkeuze onderbouwen, kan de administratie haar eigen lezing van de verrichting niet in de plaats stellen van die welke de partijen vrij zijn overeengekomen. Het tegendeel aanvaarden zou erop neerkomen de administratie een bevoegdheid tot herkwalificatie a posteriori te verlenen die de wetgever haar niet heeft toegekend.
Op praktisch vlak geeft het arrest een duidelijke boodschap aan de belastingplichtigen en hun adviseurs: het belang om de economische redenen die aan de herstructurering ten grondslag liggen zorgvuldig voor te bereiden en te documenteren, teneinde de fiscale behandeling veilig te stellen van verrichtingen die, mits correct gestructureerd, legitieme instrumenten van vermogens- en commerciële planning blijven.