
Op 16 juli 2026 heeft de Kamer een hervorming van het vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen (VAPZ) aangenomen. Twee wijzigingen zijn belangrijk: het bijdrageplafond stijgt en tal van zelfstandigen in bijberoep, die tot nu toe uitgesloten waren, krijgen voortaan toegang. Deze nieuwigheden gelden voor het volledige inkomstenjaar 2026. Voor bedrijfsleiders in een vennootschap moeten ze evenwel worden bekeken in combinatie met de individuele pensioentoezegging (IPT) en de 80 %-regel, terwijl de groepsverzekering op haar beurt een andere, collectieve logica volgt.
Het VAPZ wordt door de zelfstandige in eigen naam afgesloten, ongeacht of hij zijn activiteit als natuurlijk persoon of via een vennootschap uitoefent. De bijdragen zijn in de personenbelasting aftrekbaar als beroepskosten en worden fiscaal gelijkgesteld met sociale bijdragen: ze verminderen zo niet alleen de belastbare grondslag, maar op termijn ook de berekeningsbasis van de sociale bijdragen. Voor een zelfstandige als natuurlijk persoon maakt die dubbele fiscale en sociale besparing het VAPZ doorgaans tot het eerste instrument om te overwegen. De aftrek veronderstelt wel dat de zelfstandige in orde is met zijn sociale bijdragen, en het sociaal VAPZ voorziet bovendien in solidariteitsprestaties, met name bij arbeidsongeschiktheid, waaraan minstens 10 % van de totale premie moet worden besteed.
De IPT wordt daarentegen door een vennootschap afgesloten ten voordele van een zelfstandige bedrijfsleider. De premies worden gedragen door de vennootschap en kunnen aftrekbare beroepskosten vormen, voor zover de fiscale voorwaarden worden nageleefd, in het bijzonder de 80 %-regel, die ertoe strekt het totaal van het wettelijk pensioen en de aanvullende pensioenen te beperken ten opzichte van de laatste normale bruto jaarbezoldiging. Met een IPT kunnen vaak aanzienlijk hogere bedragen worden opgebouwd dan met een VAPZ, en ze biedt doorgaans meer flexibiliteit in het beleggingsbeleid, met name via tak 23. Afhankelijk van de contractvoorwaarden kan ze ook worden ingezet voor de financiering van een vastgoedproject, via een voorschot of een inpandgeving. Haar financieringscapaciteit hangt echter af van de normale en regelmatige bezoldiging van de bedrijfsleider, van zijn loopbaan, van de reeds opgebouwde reserves en van de beschikbare marge binnen de 80 %-regel. Op de premies is bovendien een taks van 4,4 % verschuldigd.
Voor een zelfstandige zonder vennootschap bestaat een gelijkaardig mechanisme: de pensioenovereenkomst voor zelfstandigen (POZ).
De groepsverzekering ten slotte wordt door een werkgever ingevoerd ten voordele van een categorie van of al zijn werknemers. Ze is onderworpen aan een collectieve overeenkomst — de aansluiting, de bijdragen en de waarborgen moeten de vastgelegde categorieën en de regels inzake aanvullende pensioenen voor werknemers respecteren. In tegenstelling tot het VAPZ is ze dus geen individuele keuze van de werknemer; in tegenstelling tot de IPT is ze niet op maat ontworpen voor één bedrijfsleider. Toch blijft ze belangrijk bij de analyse van een toekomstige IPT: de rechten die al werden opgebouwd in een groepsverzekering bij een vroegere werkgever, maken deel uit van de aanvullende pensioenen die in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van de 80 %-regel, en kunnen dus de beschikbare financieringsmarge in de vennootschap verkleinen.
OM TE ONTHOUDEN
De simplistische regel dat men altijd eerst het VAPZ moet maximaliseren, is niet universeel. Het blijft doorgaans prioritair voor de zelfstandige als natuurlijk persoon. Voor een bedrijfsleider in een vennootschap kan de IPT krachtiger zijn, maar haar marge hangt onder meer af van de bezoldiging en van de rechten die al zijn opgebouwd in het VAPZ of in een groepsverzekering. Het VAPZ en de IPT kunnen dus worden gecumuleerd voor een zelfstandige bedrijfsleider, maar hun combinatie blijft aan regels gebonden.
Voor inkomstenjaar 2026 stijgt het maximale bijdragepercentage van 8,17 % naar 8,50 % van het referte-inkomen voor een gewoon VAPZ, en van 9,40 % naar 9,78 % voor een sociaal VAPZ.
De verhoging blijft facultatief: ze is niet automatisch van toepassing op bestaande contracten. Een aanpassing van het contract en, in voorkomend geval, een bijkomende storting zijn nodig om de nieuwe plafonds voor het volledige jaar 2026 te benutten.
De tweede wijziging betreft de toegang voor zelfstandigen in bijberoep. Tot nu toe kon een zelfstandige in bijberoep in de praktijk enkel toegang krijgen tot het VAPZ als hij sociale bijdragen betaalde die vergelijkbaar waren met die van een zelfstandige in hoofdberoep, wat in 2026 een referte-inkomen van minstens € 17.374,08 veronderstelde en tal van zelfstandigen in bijberoep uitsloot. De drempel wordt voortaan verlaagd tot € 1.922,16, het niveau waaronder voor de activiteit in bijberoep geen sociale bijdrage verschuldigd is. Bijvoorbeeld: met een referte-inkomen van € 10.000 zal een zelfstandige in bijberoep tot € 850 kunnen storten in een gewoon VAPZ of € 978 in een sociaal VAPZ. De hervorming stelt het VAPZ ook open voor startende zelfstandigen in bijberoep, die er voorheen structureel van uitgesloten waren, en voor zelfstandigen die genieten van de gelijkstellingsregeling van artikel 37, onder voorbehoud van de toepasselijke inkomensdrempel.
Voor bedrijfsleiders betekent de verhoging van het VAPZ-plafond niet noodzakelijk dat systematisch het maximum bedrag moet worden gestort. Het in het VAPZ opgebouwde kapitaal wordt immers in aanmerking genomen voor de toepassing van de 80 %-regel op de IPT: er speelt dus een effect van communicerende vaten, waarbij een hoger VAPZ de beschikbare marge voor aftrekbare IPT-premies kan verkleinen. Het VAPZ behoudt niettemin belangrijke troeven: het levert een besparing op in de personenbelasting en op de sociale bijdragen, er is geen taks van 4,4 % op de premies verschuldigd, en het blijft aftrekbaar binnen de grenzen van de eigen regeling, zelfs wanneer de vennootschap binnen de 80 %-regel geen marge meer heeft om de IPT te financieren. Voor een zelfstandige zonder vennootschap blijft het doorgaans het eerste instrument om te overwegen, vóór een pensioenovereenkomst voor zelfstandigen (POZ).
Omgekeerd kan de IPT geschikter zijn wanneer een vennootschap over voldoende marge beschikt en het pensioen van de bedrijfsleider wil financieren: ze laat doorgaans toe hogere bedragen te beleggen, eventueel via een inhaalpremie binnen de toegestane grenzen, en toegang te krijgen tot een ruimere diversificatie. Haar belang kan echter beperkt zijn wanneer de bedrijfsleider zich een lage bezoldiging uitkeert of al aanzienlijke reserves heeft opgebouwd in een vroegere groepsverzekering. De vergelijking mag zich dus niet beperken tot de onmiddellijke fiscale aftrek: ze moet ook rekening houden met de werkelijk gedragen financiële inspanning, de taks op de premies, de kosten, de waarborgen, de beleggingsdragers, de fiscaliteit bij uitkering, de dekkingsbehoeften bij overlijden of arbeidsongeschiktheid en eventuele vastgoedprojecten.
AANDACHTSPUNT: EEN ANDERE FISCALITEIT BIJ DE UITKERING VAN HET KAPITAAL
Vóór belasting wordt het kapitaal verminderd met
een RIZIV-bijdrage van 3,55 % en een solidariteits-bijdrage van 0 tot 2 %. De winstdeelnemingen zijn, onder voorwaarden, vrijgesteld.
VAPZ — fictieve rente (belast tegen de progressieve tarieven van de personenbelasting + aanvullende gemeentebelasting):
- 3,5 % gedurende 13 jaar (uitkering op 60 jaar)
- 4 % gedurende 13 jaar (61-62 jaar)
- 4,5 % gedurende 13 jaar (63-64 jaar)
- 5 % gedurende 10 jaar (vanaf 65 jaar)
Deze fictieve rente wordt toegevoegd aan de andere belastbare inkomsten van de begunstigde en onderworpen aan de personenbelasting + aanvullende gemeentebelasting. Als het kapitaal wordt uitgekeerd op de wettelijke pensioenleeftijd (momenteel 66 jaar) of na een volledige loopbaan van 45 jaar met effectieve activiteit tijdens de laatste 3 jaar, wordt slechts 80 % van het nettokapitaal omgezet in een fictieve rente.
IPT — afzonderlijke en onmiddellijke belasting (+ aanvullende gemeentebelasting):
- 20 % op 60 jaar zonder pensionering
- 18 % op 61 jaar zonder pensionering
- 16,5 % tussen 62 jaar en de wettelijke pensioenleeftijd, of bij vervroegd pensioen
- 10 % vanaf de wettelijke pensioenleeftijd of na een volledige loopbaan (effectieve activiteit tijdens de laatste 3 jaar)
Ook de POZ valt onder een afzonderlijke belasting van het kapitaal (geen fictieve rente); een harmonisering van de pensioenregelingen voor zelfstandigen is aangekondigd, maar nog niet aangenomen.
Concreet moet bij de verzekeraar, de pensioeninstelling of de tussenpersoon worden nagegaan of het VAPZ-contract kan worden aangepast aan de nieuwe plafonds en of voor 2026 nog een bijkomende premie kan worden gestort. Voor zelfstandigen in bijberoep en starters gaat het erom het referte-inkomen te controleren en de toegang tot de nieuwe regeling te bevestigen. Voor bedrijfsleiders moet de 80 %-regel opnieuw worden berekend vóór het VAPZ of de IPT-premies te verhogen, rekening houdend met eventuele reserves opgebouwd bij vroegere werkgevers. In alle gevallen moet de vergelijking betrekking hebben op de nettokost, de kosten, de risicowaarborgen, de beleggingsdragers en de fiscaliteit bij uitkering, eerder dan zich te beperken tot het loutere aftrekbare bedrag. Voor werkgevers ten slotte moeten het reglement en de financiering van de groepsverzekering afzonderlijk worden herbekeken: de hervorming van het VAPZ wijzigt de collectieve regeling voor werknemers niet rechtstreeks.
De verruiming van het VAPZ is vooral een stap vooruit voor zelfstandigen in bijberoep, die voortaan in veel grotere aantallen een fiscaal voordelig aanvullend pensioen kunnen opbouwen; de verhoging van de plafonds blijft daarentegen relatief bescheiden. Voor bedrijfsleiders bestaat de belangrijkste uitdaging er minder in abstract te kiezen tussen VAPZ en IPT, dan wel de meest efficiënte combinatie te bepalen: in sommige situaties kan het verstandig zijn het VAPZ te maximaliseren, in andere zal het beter zijn meer marge voor de IPT te behouden, naargelang de bezoldiging, de loopbaan, de reeds opgebouwde reserves, het beleggingsprofiel en de vermogensplannen. De groepsverzekering moet van haar kant worden geanalyseerd in haar collectieve logica wanneer ze door de onderneming wordt ingevoerd, maar ook als element van de pensioenhistoriek van de bedrijfsleider wanneer die voordien als werknemer actief was. Een periodieke herziening van de contracten is dus aanbevolen, aangezien de plafonds evolueren, de inkomsten en bezoldigingen veranderen, de opgebouwde reserves groeien en de fiscale regels verder worden verfijnd.
Omdat elke situatie anders is, begeleidt BFS u bij de evaluatie van uw strategie inzake aanvullend pensioen en bij de aanpassing ervan aan de nieuwe regels van 2026.